Vandaag volgde ik samen met andere gehechtheidsspecialisten een waardevolle bijscholing van Yvonne Loekemeijer met het thema ‘Omgaan met angst’. Een onderwerp dat veel speelt in de gezinnen die ik begeleid.
Wanneer een kind uitvalt op school door stress of trauma, gebeurt er iets fundamenteels in het brein. Het kind zit niet meer in leren, denken of ontwikkelen. Het zit in overleven. Het zenuwstelsel staat continu aan en angst neemt het over. En juist daardoor ontstaan vaak dwangmatige patronen, boosheid, controlebehoefte of terugtrekgedrag.
Veel volwassenen proberen dit gedrag op te lossen met uitleg, druk, regels of cognitieve therapie. Maar een kind dat vastzit in overleving heeft nauwelijks toegang tot het ‘mensenbrein’, het deel waarmee je logisch nadenkt, reflecteert en leert. Het blijft hangen in het ‘reptielenbrein’: het oudste deel van ons zenuwstelsel dat alleen bezig is met gevaar, controle en veiligheid.
Daarom werkt duwen vaak averechts.
Een kind dat steeds zijn handen wast, uren praat om controle te houden of volledig opgaat in gamen, doet dat niet om lastig te zijn. Het gedrag heeft een functie. Het helpt om angst te reguleren. Onder de dwang zit vaak een diepe overtuiging: als ik dit niet doe, gaat het mis. Soms voelt dat zelfs als doodsangst.
De eerste stap is daarom niet het stoppen van de dwang, maar veiligheid creëren.
Dat begint bij vertragen. Rustig praten. Minder uitleggen. Geen strijd aangaan. Een kalme stem helpt het zenuwstelsel om langzaam uit de overlevingsstand te komen. Niet zeggen: “Je moet nu stoppen”, maar: “Ik snap dat dit je helpt.” Daarmee voelt een kind zich gezien in plaats van afgewezen.
Vanuit gehechtheid is dat essentieel. Kinderen hebben een veilige ander nodig die hun spanning helpt dragen. Iemand die zegt: “Je bent belangrijk. Het is oké. Ik ben er.” Pas wanneer een kind zich veilig genoeg voelt, kan het stapjes gaan maken richting emotieregulatie en verandering.
Dat betekent ook dat grenzen liefdevol moeten zijn. Niet hard of controlerend, maar voorspelbaar en veilig. Twee keuzes geven helpt bijvoorbeeld meer dan een opdracht. “Wil je boven eten of beneden?” geeft een gevoel van regie zonder dat het zenuwstelsel opnieuw in paniek schiet.
Ook subtiele signalen zijn belangrijk. Een kind dat slikt, verstijft, boos wordt of begint te ratelen, laat vaak spanning zien. Achter boosheid zit regelmatig paniek. Achter controle zit angst voor verlies van veiligheid.
Herstel ontstaat niet door pushen, maar door verbinding. Door samen te vertragen. Door nieuwsgierig te blijven naar wat gedrag probeert te vertellen. Pas als het reptielenbrein veiligheid ervaart, ontstaat er weer ruimte voor ontwikkeling, contact en uiteindelijk herstel. Vanuit de Loekemeijermethode werken we hieraan met Actieve Nabijheid.
Door de waardevolle bijscholing heb ik weer extra richtingen om de gezinnen die ik begeleid nog beter te ondersteunen.
Ben je nieuwsgierig naar de Loekemeijermethode en wil je weten wat het in jouw gezin kan betekenen? Neem dan gerust contact met mij op. Ik help je graag verder.
Yvonne Loekemeijer maakte een waardevolle hand out over de manier waarop de Loekemeijermethode kan ondersteunen bij uitval in het onderwijs. Heb je interesse om deze te ontvangen, stuur me dan een e-mail.
Reactie plaatsen
Reacties