Je kind wordt ouder. En ineens lijkt alles anders. De nabijheid die vroeger vanzelfsprekend was, wordt in de puberteit soms juist afgewezen. Je voelt als ouder dat je kind je nog ontzettend hard nodig heeft, terwijl het je tegelijkertijd het liefst zo ver mogelijk van zich afduwt.
Een grote mond, een dichtslaande deur of een geïrriteerde ‘Bemoei je er niet mee!’ kan je behoorlijk aan het twijfelen brengen. Moet je nu loslaten? Of juist dichterbij komen? Om dat beter te begrijpen, helpt het om ook te kijken naar wat er in het puberbrein gebeurt.
Het puberbrein is nog volop in ontwikkeling
In de puberteit verandert er ontzettend veel. Niet alleen lichamelijk en hormonaal, maar ook in de hersenen. Gebieden die betrokken zijn bij plannen, vooruitdenken, impulsen remmen en emoties reguleren zijn nog volop in ontwikkeling. Tegelijkertijd worden emoties en de behoefte aan zelfstandigheid steeds sterker. Jongeren willen zelf beslissen, ontdekken wie ze zijn en loskomen van hun ouders. Dat hoort bij hun ontwikkeling.
Maar daar zit ook een belangrijke tegenstelling. Een puber kan op het ene moment heel volwassen en verstandig overkomen en even later reageren vanuit een opwelling. Je kind kan prima uitleggen waarom iets een goed idee is, maar op het moment zelf toch een keuze maken waarvan je achteraf denkt: hoe kon je dit nou doen?
Dat betekent niet dat je kind niet wil luisteren of bewust lastig doet. Het betekent dat verschillende onderdelen van de ontwikkeling nog niet altijd goed op elkaar aansluiten. En precies daar kan het voor ouders ingewikkeld worden.
Zelfstandig willen zijn én je ouders nog nodig hebben
Een puber wil graag zelf keuzes maken. Tegelijkertijd is de ouder nog steeds een belangrijke veilige basis. Dat lijkt soms tegenstrijdig, maar eigenlijk horen die twee bij elkaar.
Je kind moet steeds meer zelf gaan doen. Zelf keuzes maken, fouten maken, ontdekken wat wel en niet werkt. Daarvoor is ruimte nodig. Maar om die ruimte aan te kunnen, moet een jongere ook kunnen terugvallen op iemand die beschikbaar blijft. Daarom betekent Actieve Nabijheid in de puberteit niet automatisch dat je overal bovenop moet zitten. Soms betekent het juist dat je een stap terug doet.
Je hoeft niet iedere fout te voorkomen. Je hoeft niet ieder probleem op te lossen. En soms is het nodig om je kind iets te laten ervaren, ook als jij vooraf al weet dat het waarschijnlijk niet goed gaat.
Maar je blijft wel beschikbaar.
Niet met: ‘Zie je wel, ik zei het toch?’
Maar met: ‘Hoe is dit voor je? Wat gebeurde er? En wat zou je een volgende keer anders kunnen doen?’
Zo help je je kind niet alleen om een probleem op te lossen, maar ook om steeds meer zelf te leren nadenken en verantwoordelijkheid te nemen.
Niet iedere puber kan altijd wat hij eigenlijk al lijkt te kunnen
Ook hier helpt het om verder te kijken dan leeftijd of cognitieve mogelijkheden. Een jongere kan bijvoorbeeld prima zelfstandig reizen, ingewikkelde gesprekken voeren of op hoog niveau leren. Dat betekent niet automatisch dat hij op ieder moment ook zijn emoties kan reguleren, overzicht kan houden of de gevolgen van een keuze kan overzien.
Zeker wanneer spanning, vermoeidheid of emoties oplopen, kan een puber tijdelijk veel minder aankunnen dan je op basis van zijn leeftijd of intelligentie zou verwachten. Dat is geen onwil. Het is een belangrijk verschil tussen iets kunnen en het ook kunnen inzetten op het moment dat het nodig is.
En dan krijg je ineens zo’n appje…
Na een middag vol discussie, een deur die iets te hard dichtgaat en een puber die je vooral met rust wilde laten, kan er ineens een berichtje komen:
‘Jij bent de beste mama van de wereld.’
En daar zit je dan. Met een hart dat alweer smelt. Misschien laat zo’n moment wel precies zien wat er onder die behoefte aan afstand zit. Je puber wil groter worden, maar wil tegelijkertijd weten dat jij er nog bent. Dat hij zelfstandig wil worden, betekent niet dat hij geen verbinding meer nodig heeft.
Nabijheid ziet er niet altijd hetzelfde uit
Dat is misschien wel een van de lastigste dingen in het ouderschap: meegroeien met wat je kind nodig heeft. Bij een jong kind kan nabijheid betekenen dat je letterlijk dichtbij blijft, helpt, stuurt en samendoet. Bij een puber kan nabijheid er juist uitzien als vertrouwen geven, beschikbaar blijven en niet meteen ingrijpen. De kunst is niet om steeds meer los te laten omdat je kind ouder wordt. En ook niet om vast te houden omdat jij bang bent dat het misgaat.
De vraag is steeds opnieuw:
Wat heeft mijn kind op dit moment nodig om zich veilig genoeg te voelen om verder te ontwikkelen?
Dat kan de ene dag meer ruimte zijn en de volgende dag juist meer nabijheid. Want een puberbrein is nog in ontwikkeling. En ook emotionele en sociale ontwikkeling verloopt niet altijd gelijk met de kalenderleeftijd of met wat een jongere cognitief allemaal al kan.
Als ouder hoef je dus niet te kiezen tussen loslaten of vasthouden. Je mag blijven afstemmen. Soms dichtbij. Soms op een kleine afstand. Maar altijd met de boodschap:
‘Ik ben er. Ook als je even niet wilt dat ik naast je sta.’
Kinderen hoeven niet sneller groot te worden dan ze aankunnen. En misschien is dat wel de kern van nabijheid: je kind steeds iets meer ruimte geven om zelf te ontdekken, zonder dat het ooit hoeft te twijfelen of het nog op jou mag terugvallen.
Ben je nieuwsgierig naar de Loekemeijermethode en wil je weten wat het in jouw gezin kan betekenen? Neem dan gerust contact met mij op. Ik help je graag verder.
Reactie plaatsen
Reacties